De complexiteit rondom antistollingszorg
De trombosezorg in Nederland is volop in beweging sinds er zo’n tien jaar geleden een nieuwe groep medicijnen kwamen, namelijk de directe orale anticoagulantia (DOAC’s). Sindsdien is er steeds minder vraag naar de oudere medicatie, de zogenoemde vitamine-K-antagonisten (VKA’s). Daarmee staat onder meer het behoud van kennis over de oudere medicatie onder druk, terwijl er nog steeds patiënten gebruikmaken van die middelen. Om de kennis rond de zorg van de oudere medicijnen te borgen, is verandering nodig in de organisatie van de trombosezorg.
De oudere medicijnen werden door de specialist voorgeschreven en de regelmatige controles van de patiënten gebeurde via de trombosediensten. De nieuwe medicijnen, DOAC’s, worden voorgeschreven door een zorgverlener uit de eerste of tweede lijn en bloedprikken bij de trombosedienst is niet meer nodig. Door de komst van de deze nieuwe medicijnen is er landelijk inmiddels een afname van 42% van het aantal mensen dat de oudere medicatie gebruikt. Minder mensen laten dus bloed prikken bij de trombosediensten. Het jaarlijkse aantal nieuwe patiënten bij de trombosedienst daalt sterk: van 6000 in 2015 naar 2600 patiënten in 2021.
De zorg rondom antistollingsmedicatie is complex. Patiënten gebruiken vaak twee of soms zelfs drie soorten bloedverdunners, bijvoorbeeld één voor boezemfibrilleren en een of twee na een stentplaatsing of bypassoperatie. Het gebruik van antistollingsmiddelen kan dan ook leiden tot complicaties, zowel tot trombose als bloedingen. Het HARM-onderzoek heeft laten zien dat 5,6% van alle acute opnames geneesmiddel-gerelateerd zijn. Daarvan is 46% potentieel vermijdbaar, hetgeen neerkomt op 19.000 opnames per jaar in Nederland. Antistollingsmedicatie is in 40,8% van de gevallen betrokken bij deze geneesmiddel-gerelateerde opnames.
In het ziekenhuis is echter niet precies bekend hoeveel complicaties er zijn door het gebruik van antistollingsmedicatie. De registratie hiervan is lastig omdat dit niet tot de taken behoort van de specialist die het antistollingsmiddel heeft voorgeschreven. Daarnaast merken we dat zorgverleners en patiënten regelmatig niet weten bij wie ze met hun vragen rondom antistolling terecht kunnen. Zo zijn er perioperatief vaak vragen, maar die zijn lastig te beantwoorden omdat de antistollingsmiddelen door verschillende specialisten worden voorgeschreven.
In 2021 is binnen Tergooi MC een initiatief gestart om de antistollingszorg verder te verbeteren. In samenspraak met een huisarts, de medisch directeur van de trombosedienst en een cardioloog heeft de internist-vasculair geneeskundige besloten naast de al bestaande ziekenhuisbrede antistollingscommissie drie trombosevigilantiemedewerkers aan te stellen. Zij hebben een verbindende rol en ondersteunen heel actief het casemanagement onder supervisie van de internist-vasculair geneeskundige. De trombosevigilantiemedewerkers zijn van origine medewerkers van de trombosedienst die extra scholing hebben doorlopen voor de functie.
Het doel van het aanstellen van de trombosevigilantiemedewerkers is een verbetering in kwaliteit van zorg, veiligheid van de patiënt en een verplaatsing van zoveel mogelijk patiënten naar de eerste lijn en daarmee minder herhaalbezoeken in de tweede lijn. Ook zorgt dit in de keten voor een vermindering van (vermijdbare) opnames en complicaties.